door Anastasia Marchenko

Vlindertje Gratis amigurumi-haakpatroon

Een vlindertje op zijn buik: een roomwitte kop en een slank lijf, twee hoge lila voorvleugels boven twee kleinere, lage achtervleugels, elk met een oudroze punt, en twee dunne bruine voelsprieten.

  • Ongeveer 6 cm breed
  • Gevorderde beginner
  • 7 onderdelen
  • Ongeveer 3 uur
  • 7 talen
  • DK-katoen, haaknaald 3,25 mm

Gratis patroon

Gratis

Elke toer en elk schema staat hier op de pagina, gratis te lezen, zonder dat je je hoeft aan te melden.

Begin met haken ↓

Liever op papier? De pdf om te printen

Hetzelfde patroon, opgemaakt om af te drukken: met genummerde pagina’s en elk schema naast de toeren die het toelicht.

  • In 7 talen details
    • English A4, 14 pagina’s · US Letter, 15 pagina’s
    • Deutsch A4, 16 pagina’s
    • English (UK) A4, 14 pagina’s
    • Español A4, 15 pagina’s
    • Français A4, 15 pagina’s
    • Nederlands A4, 15 pagina’s
    • Українська A4, 15 pagina’s
  • 9 illustraties · 3 schema’s · 14 pagina’s op A4

Met de hand gehaakt

Foto’s van echte exemplaren, gehaakt volgens het geschreven patroon.

  • Foto: de vlinder op een pot lavendel, van opzij gezien, met zijn roomwitte kop, een zwart oog en twee bruine voelsprieten, en daarachter de lila vleugels met oudroze punten die rechtop staan.
    Gehaakt door Anastasia van Círculo Amigurumi-katoen met een haaknaald van 3,25 mm.
  • Foto: de vlinder van voren op een pot lavendel, met zijn roomwitte gezicht en twee zwarte ogen tussen twee bruine voelsprieten, de voorvleugels rechtop en de achtervleugels laag aan de zijkanten.
    Van voren: de voorvleugels rechtop, de achtervleugels laag aan de zijkanten.
  • Foto: de vlinder op een witte ondergrond, schuin van voren, met zijn roomwitte kop, twee zwarte ogen en twee bruine voelsprieten, en aan elke kant twee lila vleugels met oudroze punten.
    Alle vier de vleugels rond de roomwitte kop, elk lila met een oudroze punt.

Gratis kleurplaten

Vlindertje om op nummer te kleuren, met de ingekleurde oplossingen en een cadeaukaartje. Thuis te printen, aanmelden hoeft niet.

Over dit amigurumi-patroon

Zo wordt hij gehaakt
Kop en lijf haak je samen in één doorlopende spiraal. Elke vleugel is een klein schelpje dat je in toeren haakt en platdrukt. Je naait elke vleugel met zijn open rand aan de zijkant van het lijf, op steken die je telt vanaf een gemarkeerde top, zodat beide kanten elkaars spiegelbeeld zijn. De voelsprieten zijn koordjes: een korte ketting die je terughaakt met halve vasten en met de aanzet vastnaait. Er zit geen ijzerdraad in en er zijn geen harde onderdelen behalve de veiligheidsoogjes, en het patroon laat zien hoe je de ogen in plaats daarvan borduurt.
Vaardigheden
  • magische ring
  • spiraaltoeren
  • meerderen en onzichtbaar minderen
  • van kleur wisselen aan het eind van een toer
  • een ketting terughaken met halve vasten
  • veiligheidsoogjes plaatsen
  • kleine onderdelen platdrukken
  • vier vleugels en twee dunne koordjes aan een opgevuld lijf naaien, de vleugels met hun open rand
In de natuur
De meeste insecten hebben doorzichtige vleugels, maar die van vlinders zijn bedekt met duizenden piepkleine schubben, waardoor ze ondoorzichtig en vaak kleurrijk zijn. Lepidoptera, de naam van hun orde, betekent ‘schubvleugels’.Bron: Butterflies and Moths (Lepidoptera) — Museum of Zoology, University of Cambridge

Materialen

Een haaknaald van 3,25 mm en glad katoen, overal met één draad. Aanbevolen garen: DROPS Muskat (50 g, 100 m per bol), of een ander glad katoen van ongeveer 2 tot 2,5 m per gram, in kleuren die hier dicht bij liggen. Met dunner garen wordt de vlinder kleiner; met worsted- of arangaren en een haaknaald van 3,5 mm wordt hij iets groter.

Garen Gebruikt voor Kopen Verbruik
A Roomwit de kop en het lijf 1 bol (50 g, 100 m), of een restje ongeveer 7 m (3 g)
B Lavendel alle vier de vleugels 1 bol (50 g, 100 m), of een restje ongeveer 7,5 m (4 g)
C Oudroze de punt van elke vleugel een restje, of 1 bol (50 g, 100 m) ongeveer 3,5 m (2 g)
D Cacaobruin de voelsprieten een restje, of 1 bol (50 g, 100 m) ongeveer 1 m (1 g)

Probeer andere kleuren →

Je hebt ook nodig:

  • een paar glanzend zwarte, halfronde veiligheidsoogjes van 5 mm, zonder iris
  • ongeveer 3 g polyester vulling
  • een stompe stopnaald
  • drie verwijderbare steekmarkeerders — één voor de toer, één om de lus vast te houden bij de pauze en één extra voor een vleugel — en spelden
  • een kort stukje garen in een contrastkleur
  • wat zwart katoen, alleen als je de ogen liever borduurt
  • een schaar
Bovenaanzicht van een roomwitte, een lila, een oudroze en een cacaobruine bol katoengaren, een haaknaald, twee veiligheidsoogjes met sluitringen, vulling, een stopnaald, drie steekmarkeerders en spelden.
Illustratie 1Materialen en gereedschap. De vier kleuren, de veiligheidsoogjes met hun sluitringen, vulling en gereedschap.

Steekverhouding en maat

Ongeveer 20 v en 23 toeren op 10 cm, stevig gehaakt. Een dicht haakwerk is belangrijker dan het precieze getal: de vulling mag er niet doorheen schijnen.

De afgewerkte vlinder is ongeveer 6 cm breed van vleugelpunt tot vleugelpunt, ongeveer 5 cm lang van het gezicht tot het achtereind en ongeveer 4,5 cm hoog tot de punten van de rechtopstaande voorvleugels; de voelsprieten reiken ongeveer even hoog. Afhankelijk van je garen en hoe strak je haakt, wordt hij 5,5 tot 6,5 cm breed. Verander de maat met je haaknaald, nooit door toeren toe te voegen of weg te laten: de toeren bepalen de vorm.

Controleer bij R3. Leg de kop plat: het rondje heeft een doorsnee van ongeveer 2,8 cm. Houd een beetje vulling achter het haakwerk zonder het uit te rekken. Zie je gaatjes, begin dan opnieuw met een haaknaald van 3 mm; is het haakwerk stijf en lastig te haken, neem dan 3,5 mm.

Een kleine gehaakte vlinder die op zijn buik ligt, van voren gezien: een roomwitte kop met twee glanzend zwarte ogen en twee dunne bruine voelsprieten, twee lila voorvleugels die erachter rechtop staan en twee kleinere achtervleugels laag aan de zijkanten, elke vleugel met een oudroze punt.
Illustratie 2De afgewerkte vlinder. Van voren, met de voorvleugels hoog rechtop en onder elk ervan laag een achtervleugel.
Dezelfde vlinder van zijn linkerkant: vooraan de roomwitte kop met één oog en twee voelsprieten, een lila voorvleugel die achter de kop rechtop staat, een achtervleugel laag eronder, en het lijf dat smal toeloopt naar een klein achtereind.
Illustratie 3De vlinder van opzij. Van opzij gezien: de voorvleugel boven, de achtervleugel lager, eronder.

Afkortingen en technieken

Nederlandse vertaling van een Engels patroon, met Nederlandse haaktermen.

v
vaste
hv
halve vaste
l
losse
st
steek, steken
meerd
meerderen: 2 v in één steek
onz mind
onzichtbaar minderen
R
toer (bij de voelsprieten: rij)
(12 st)
het aantal steken aan het eind van de toer
[ ] 3 keer
haak wat tussen de rechte haken staat zo vaak als aangegeven. Het getal vóór een afkorting zegt hoeveel van die steken je na elkaar haakt, elk in een volgende steek.
R3–R5
toer 3 tot en met 5, elke toer hetzelfde.
Magische ring
leg een lus met het staartje achter de werkdraad, steek de naald erin, haal de werkdraad op en haak 1 l (die telt niet mee). Haak de eerste toer over de lus en het staartje heen en trek daarna het staartje aan om de ring te sluiten.
Spiraaltoeren
je sluit de toeren niet en keert niet. Markeer de eerste steek van elke toer en verplaats de markeerder omhoog zodra een nieuwe toer begint.
Onzichtbaar minderen (onz mind)
steek de naald onder alleen de voorste lus van elk van de volgende 2 steken, sla de draad om, haal hem door beide voorste lussen, sla opnieuw om en haal hem door de 2 lussen op de naald.
Van kleur wisselen
haak de laatste steek van de toer tot er nog twee lussen op je naald staan, laat de oude kleur vallen, sla de nieuwe kleur om en haal die door beide lussen. Het trapje waar de kleuren elkaar raken, zit aan het begin van de toer. Bij een vleugel komt het op de vouwrand die na het vastnaaien naar het achtereind wijst.
De lus vasthouden
laat het patroon je midden in het lijf even stoppen, haal de lus dan van je naald en zet hem op een extra steekmarkeerder, zodat er niets uithaalt; zet hem weer op de naald als je verder haakt.
Halve vaste (hv)
steek de naald in, sla de draad om en haal de lus in één beweging door het werk en door de lus op je naald.
In het achterste bultje haken
de achterkant van een ketting is een rij kleine bultjes, één per losse. Draai de ketting om en steek de naald onder het bultje van de losse waarin je haakt; zo wordt het koordje rond.
Een vleugel platdrukken
een vleugel is een klein buisje dat je in toeren haakt en nooit opvult. Druk het plat tussen duim en vinger, zodat de vouw van de oudroze punt naar de open rand loopt, met het trapje waar de kleur wisselde op een van de twee vouwranden. Rol het één keer tussen je handpalmen en het blijft plat.
Veiligheidsoogjes
het steeltje gaat van buitenaf tussen twee steken door het haakwerk; de sluitring druk je van binnenuit op het steeltje, met de geribbelde kant naar het haakwerk, tot hij vastklikt. Zit de sluitring eenmaal vast, dan krijg je hem er niet meer af. Zet daarom elk oog eerst op zijn plaats en bekijk het voordat de sluitring erop gaat.
Opvullen
duw de vulling er beetje bij beetje in met het stompe eind van je haaknaald. De kop vul je via de hals op zolang je er nog bij kunt; het lijf vul je op waar het patroon dat aangeeft, voordat het te smal wordt.
Afhechten en wegwerken
knip de draad af op de lengte die het onderdeel vraagt en trek het staartje door de laatste lus. Een staartje dat je niet nodig hebt om te naaien, werk je weg: haal het aan de binnenkant door de achterkant van minstens vijf steken, ga terug door drie en knip af. Een staartje aan een gesloten, opgevuld onderdeel werk je door het onderdeel heen weg: steek de naald in het haakwerk en kom er ongeveer 3 cm verderop weer uit, trek even zodat het uiteinde verdwijnt, ga terug door een steek vlakbij en knip vlak af.

Volgorde van werken. De ogen gaan in de kop bij de pauze na R5, vóór er vulling in zit. De kop vul je via de hals op, het lijf vóór de laatste toeren. De vier vleugels en de twee voelsprieten kun je op elk moment haken; je zet ze pas vast als het lijf gesloten is, en je speldt alle vier de vleugels vast voordat je er één vastnaait. Schema 1, Montagevolgorde laat zien wat er bij elke stap open is.

Lijf, één stuk van gezicht tot achtereind — maak 1

Garen A Roomwit

Begin met een magische ring. Haak in spiraaltoeren.

  1. R1AHaak 6 v in de magische ring.6 st
  2. R2A6 meerd.12 st
  3. R3A[1 v, 1 meerd] 6 keer.18 st
  4. R4A18 v.18 st
  5. R5A18 v.18 st

Haal de lus van je naald en zet hem op een extra steekmarkeerder, zodat er niets uithaalt terwijl je aan het gezicht werkt. Markeer de top: tel de gemarkeerde eerste steek van R5 als 1 en knoop een kort stukje contrasterend garen door de 10e steek. Die steek is de top van de kop, T. De lijn van eerste steken loopt langs de buik. Laat het stukje garen zitten tot de vleugels en de voelsprieten eraan zitten. Plaats nu de ogen (Montage A), zolang de kop nog een ondiep kommetje is en je er van binnen bij kunt.

  1. R6A[1 v, 1 onz mind] 6 keer.12 st

Vul nu de kop op via de halsopening, zolang je er nog bij kunt: stevig, zodat de kop een ronde bal wordt. Tijdens de volgende toer of twee kun je via het lijf nog wat bijvullen.

  1. R7–R9A12 v.12 st
  2. R10A12 v.12 st

Vul de kop bij als hij niet stevig is, en vul dan het lijf op tot deze toer: stevig genoeg voor een rond buisje, maar niet zo vol dat de steken uit elkaar gaan staan.

  1. R11A12 v.12 st
  2. R12A[2 v, 1 onz mind] 3 keer.9 st
  3. R13A[1 v, 1 onz mind] 3 keer.6 st

Vul via het kleine gaatje bij, zodat het lijf tot het eind stevig is, en druk de vlinder even met zijn buik op tafel, zodat de onderkant een beetje plat wordt. Hecht af en laat een staartje van 25 cm. Haal het staartje op volgorde door de voorste lus van elk van de zes steken van R13, trek het gaatje dicht, maak één klein steekje over de sluiting en werk het staartje binnen in het lijf weg. R1 is het midden van het gezicht; R13 sluit het achtereind. De kop is R1–R5, R6 is de hals, en de vleugels worden langs R7–R10 vastgenaaid.

Voorvleugels — maak 2

Garen C Oudroze B Lavendel

Begin met een magische ring. Haak in spiraaltoeren.

  1. R1CHaak 6 v in de magische ring.6 st

Volgende toer: maak de laatste steek af in B en laat een staartje van 10 cm van B binnen in de vleugel (Van kleur wisselen).

  1. R2C6 meerd.12 st

Knip C af en laat een staartje van 10 cm. Knoop het binnen in de vleugel vast aan het beginstaartje van B en knip beide af op 3 cm: ze blijven tussen de twee lagen zitten en zijn nooit te zien.

  1. R3–R5B12 v.12 st
  2. R6B[2 v, 1 onz mind] 3 keer.9 st
  3. R7B[1 v, 1 onz mind] 3 keer.6 st

Niet opvullen. Hecht af en laat een staartje van 30 cm om mee te naaien. Trek het staartje van de ring strak aan en werk het binnen in de vleugel weg. Druk de vleugel plat, zodat de lijn van eerste steken — het kleine trapje waar de kleur wisselde — langs een van de twee vouwranden ligt; die rand wordt de achterrand van de vleugel als hij is vastgenaaid. Het oudroze eind is de buitenste punt van de vleugel. De open rand van R7, met 6 steken, druk je tot een smal ovaal en naai je aan het lijf. Haak er twee hetzelfde.

Achtervleugels — maak 2

Garen C Oudroze B Lavendel

Begin met een magische ring. Haak in spiraaltoeren.

  1. R1CHaak 6 v in de magische ring.6 st

Volgende toer: maak de laatste steek af in B en laat een staartje van 10 cm van B binnen in de vleugel (Van kleur wisselen).

  1. R2C[1 v, 1 meerd] 3 keer.9 st

Knip C af en laat een staartje van 10 cm. Knoop het binnen in de vleugel vast aan het beginstaartje van B en knip beide af op 3 cm.

  1. R3–R4B9 v.9 st
  2. R5B[1 v, 1 onz mind] 3 keer.6 st

Niet opvullen. Hecht af en laat een staartje van 30 cm om mee te naaien. Trek het staartje van de ring strak aan en werk het binnen in de vleugel weg. Druk de vleugel plat, zodat de lijn van eerste steken — het kleine trapje waar de kleur wisselde — langs een van de twee vouwranden ligt; die rand wordt de achterrand van de vleugel als hij is vastgenaaid. Het oudroze eind is de buitenste punt van de vleugel. De open rand van R5, met 6 steken, druk je tot een smal ovaal en naai je aan het lijf. Haak er twee hetzelfde.

Voelsprieten — maak 2

Garen D Cacaobruin

Haak 6 l. Begin in losse 2 vanaf de naald en haak in het achterste bultje van elke losse.

Haak losjes: een strakke ketting en strakke halve vasten draaien het koordje tot een kurkentrekker.

  1. R1D5 hv.5 st

Hecht af en laat een staartje van 15 cm. Het eind waar je hebt afgehecht, is de aanzet; die naai je aan de kop. Het andere eind is de punt, en daar hoef je niets mee te doen. Niet opvullen en niet platdrukken: een lichte bocht in het koordje is goed. Haak er twee hetzelfde.

Montage

Hoe posities worden aangegeven. De eerste steek van elke toer ligt langs de buik van de vlinder. De top, T, ligt een halve toer verder: de steek die het stukje garen op R5 markeert, en de steek recht daarachter op elke volgende toer. T+2 ligt 2 steken naar de linkerkant van de vlinder en T−2 2 steken naar zijn rechterkant. Links en rechts zijn altijd die van de vlinder zelf: van voren gezien ligt zijn linkerkant aan jouw rechterhand. Tel vanaf het stukje garen, nooit vanaf de toermarkeerder, want in een spiraal schuift die steeds op. Schema 1, Montagevolgorde laat zien wat er bij elke pauze gebeurt en wat wacht tot het lijf gesloten is.

Van boven gezien: in het midden een roomwit gehaakt lijf met kop, aan weerszijden twee grotere en twee kleinere lila vleugels met oudroze punten, en daarboven twee dunne bruine voelsprieten; van elke vleugel en elke voelspriet loopt een lange draad.
Illustratie 4De zeven onderdelen. Voordat er iets is vastgenaaid: het gesloten lijf met zijn ogen, vier vleugels en twee voelsprieten.
  1. 1Lijf R1–R5 openDe kop in A, van de magische ring tot R5 (18 st); een stukje garen door de 10e steek van R5 markeert T. De vier vleugels en de twee voelsprieten haak je wanneer je wilt.
  2. 2A. Ogen pauzeBeide steeltjes door R2, tussen T±2 en T±3, nog zonder sluitringen; bekijk het gezicht van voren en van boven; druk dan de sluitringen erop.
  3. 3Lijf R6–R13, opvullen, sluiten geslotenR6 wordt smaller tot de hals; vul de kop er stevig door op, dan het lijf tot R10, en druk de buik plat op tafel; trek de laatste 6 steken samen en werk het staartje weg.
  4. 4B. Vleugels geslotenEerst alle vier de randen vastspelden — voorvleugels R7 T±1 → R9 T±3, achtervleugels R8 T±5 → R10 T±3 —, de voorvleugels bijna rechtop, ongeveer 80° boven de tafel en naar achteren en naar buiten leunend, de achtervleugels laag naast het lijf eronder; bekijken van voren en van boven; dan vastnaaien, de achtervleugels eerst.
  5. 5C. Voelsprieten geslotenDe aanzet van elk koordje vastnaaien over R4 T±1,5 → R5 T±1,5 op de kruin, naar buiten leunend; het stukje garen gaat eruit.
  6. 6Afwerken geslotenHaal de spelden eruit, laat de vulling zich zetten en leg de vlinder op zijn buik.
Schema 1Montagevolgorde. De ogen gaan erin bij de pauze na R5, zolang de kop een ondiep kommetje is en je nog bij de binnenkant kunt; al het andere gebeurt op het gesloten, opgevulde lijf, en alle vier de vleugels worden vastgespeld voordat je er één vastnaait.
  • open — het lijf is nog in bewerking; na deze stap volgen nog toeren.
  • pauze — je haakt even niet verder en de lus zit op een markeerder; via het open eind kun je nog bij de binnenkant.
  • gesloten — opgevuld en dicht; alleen nog naaiwerk aan de buitenkant, met de staartjes door het haakwerk weggewerkt.

De toeren terugvinden. R1 is de ring in het midden van het gezicht, en elke toer is de volgende ring naar buiten. R5 is de toer met het stukje garen, de laatste toer van de kop en de laatste met 18 steken; R6 is de smalle toer erachter, de hals; R7 tot en met R11 zijn de vijf rechte toeren van het lijf. De vleugels worden langs R7 tot en met R10 vastgenaaid. Om T op een van die toeren te vinden, leg je de vlinder op zijn buik: T loopt over de bovenkant van de rug, recht achter het stukje garen, met de lijn van de eerste steken onderlangs de buik. Een steek bovenop is dus T als de steek recht daaronder een eerste steek is. Schema 3, Plaatsingskaart voor de vleugels toont alle vier de naailijnen samen.

Naaisteken:

  • Randnaad: neem beide bovenste lussen van een randsteek van het onderdeel op, daarna een ondiep draadje van de lijfsteek eronder, zonder naar binnen door te steken, en werk zo de hele rand rond. Trek aan tot de oppervlakken elkaar net raken.
  • Staartje wegwerken: steek de naald bij de naad in het lijf en kom er 3 cm verderop weer uit, trek even zodat het uiteinde verdwijnt, ga terug door een steek vlakbij en knip vlak af.

De schema’s zijn platte tekeningen van een gebogen, opgevuld oppervlak: leg alles op zijn plaats, speld het vast en kijk voordat je iets vastzet.

A. Ogen (bij de pauze na R5, vóór er vulling in zit)

R1 R2 R3 R4 R5 buik: de eerste steken van de toeren T — stukje garen op R5 zijn linkeroog R2, tussen T+2 en T+3 zijn rechteroog R2, tussen T−2 en T−3 linkervoelspriet aanzet over R4–R5, tussen T+1 en T+2 rechtervoelspriet aanzet over R4–R5, tussen T−1 en T−2 Van voren gezien zijn linkerzij aan jouw rechterhand
Schema 2Kopkaart. Elke ring is één toer, verdeeld in zijn eigen steken. T, de top, ligt recht boven, op de lijn van het midden van de ring door het stukje garen op R5; de linkerkant van de vlinder ligt aan jouw rechterhand. De ogen gaan erin bij de pauze na R5, vóór er vulling in zit; de voelsprieten naai je als laatste aan de gesloten kop. Een platte weergave van een kop die bol wordt als hij is opgevuld — duw de steeltjes erin, kijk van voren en druk dan pas de sluitringen erop.
  • Ogen — 5 mm, elk steeltje in de opening tussen de 2e en de 3e steek vanaf T op R2: tussen T+2 en T+3 voor het linkeroog van de vlinder, tussen T−2 en T−3 voor zijn rechteroog.
  • Aanzetten van de voelsprieten — de aanzet van elk koordje wordt langs één lijn over de grens tussen R4 en R5 genaaid, tussen T+1 en T+2 voor de linkervoelspriet en tussen T−1 en T−2 voor de rechter, zodat de twee ongeveer 1,4 cm uit elkaar op de kruin staan en naar buiten leunen.
  • T — de top: het stukje garen dat door de 10e steek van R5 is geknoopt, en de lijn van daar naar het midden van de ring.

Houd het werk met de open rand van je af en het stukje garen boven: het is een ondiep kommetje, en de ring in het midden is het midden van het gezicht. Schema 2, Kopkaart toont de ringen, de plaats van beide ogen en waar later de voelsprieten komen.

Een ondiep roomwit gehaakt koepeltje van boven gezien, met twee zwarte veiligheidsoogjes erin gedrukt, een blauw stukje garen bovenaan ertussen geknoopt en de werklus op een steekmarkeerder.
Illustratie 5De kop bij de pauze voor de ogen. Beide steeltjes erin, nog zonder sluitringen en nog zonder vulling.
Linkeroog Rechteroog
Steeltje R2, tussen T+2 en T+3 R2, tussen T−2 en T−3
  1. Zoek T op R2: dat is de steek van R2 op de lijn van het midden van de ring naar het stukje garen. Die lijn op het oog schatten is nauwkeurig genoeg; in stap 2 stel je het zo nodig bij. Tel 2 steken naar de linkerkant van de vlinder (jouw rechterkant) en duw het steeltje van een oog van buitenaf door de opening net voorbij de tweede steek, nog zonder sluitring.
  2. Plaats het andere oog op dezelfde manier aan de andere kant. Kijk van voren naar het gezicht: beide ogen iets boven het midden van de ring, even hoog en even ver ervandaan. Kijk van boven: beide steeltjes even ver van de rand. Verschuif een steeltje één opening als dat niet zo is.
  3. Druk beide sluitringen er van binnenuit op.

De ogen staan ver uit elkaar, iets boven het midden van het gezicht, verder komt er niets op het gezicht.

Wil je helemaal geen plastic onderdelen, borduur de ogen dan: werk bij dezelfde pauze met zwart katoen kleine rechte steken over dezelfde opening, de ene over de andere, tot er een rond stipje van ongeveer 5 mm doorsnee staat. Knoop de uiteinden binnen in het kommetje vast.

T — boven het stukje garen op R5 buik buik R6 (12) R7 (12) R8 (12) R9 (12) R10 (12) R11 (12) R12 (9) R13 (6) ½ ¼ T ¼ ½ ← zijn rechterzij zijn linkerzij → randen voorvleugels — zijn linkerzij R7 T+1 → R9 T+3; zijn rechterzij R7 T−1 → R9 T−3 randen achtervleugels — zijn linkerzij R8 T+5 → R10 T+3; zijn rechterzij R8 T−5 → R10 T−3 Van voren gezien voorvleugel 80° boven tafel, naar achteren; achtervleugel laag lijf 1,9 cm breed — de afgewerkte maat staat in het patroon
Schema 3Plaatsingskaart voor de vleugels. De kolommen zijn de hele toer, van de buik aan de linkerrand via T, de top, tot weer de buik aan de rechterrand; elke toer is op zijn eigen steekbreedte getekend. De rijen lopen van R6, de hals, tot R13 bij het achtereind. De linker- en rechterkant zijn elkaars spiegelbeeld: dezelfde toeren en dezelfde steken aan de andere kant van T. Een platte weergave van een gebogen, opgevuld lijf — speld alle vier de vleugels vast, kijk van voren en van boven, en naai pas dan.
  • Vleugelranden — elke open rand van 6 steken wordt tot een smal ovaal platgedrukt en vastgenaaid langs de lijn van drie steken die onder het rooster staat: de naailijn van de voorvleugel loopt schuin naar achteren en omlaag over de bovenkant van de zijkant; die van de achtervleugel begint bij de buik, onder het middelste punt van de voorvleugel, en loopt naar achteren schuin omhoog langs de zijkant, vlak langs de naailijn van de voorvleugel op R9. T zelf blijft vrij.
  • Vooraanzicht — voor elke vleugel een schematisch balkje voor de hoek en de stand, niet voor de vorm: van hieruit laat de afgewerkte vleugel zijn volle kleur zien, zoals op de foto’s van het gehaakte knuffeltje. De voorvleugels staan bijna rechtop, ongeveer 80 graden boven de tafel, en leunen een beetje naar achteren en naar buiten; de achtervleugels (lichter getekend) liggen laag tegen de flank, onder de voorvleugels, op de tafel of er net boven. Het buitenste eind van elke vleugel is C.
  • ▽ — een mindering, getekend waar de toer hem haakt: zes bij de hals op R6, daarna die van het achtereind op R12 en R13.

B. Vleugels (nadat het lijf gesloten is)

Alle vier de vleugels naai je met hun open rand vast: de voorvleugels hoog op de zijkant van het lijf, de achtervleugels laag, op een lijn die bij de buik begint, onder het middelste punt van de voorvleugel, en naar achteren schuin omhoog langs de zijkant loopt. Druk elke rand eerst tot een smal ovaal: knijp het open eind langs zijn twee vouwranden samen tot een kort lijntje met aan elk eind een vouw. Speld alle vier vast voordat je er één vastnaait — het paar dat je als eerste naait, bepaalt de hoek voor het tweede. Op R9 lopen de twee naailijnen vlak langs elkaar: het achterste eind van de voorvleugel ligt daar maar één steek van het middelste punt van de achtervleugel. Speld daar beide vast voordat je er een vastzet, zodat de spelden elkaar niet kruisen. Schema 3, Plaatsingskaart voor de vleugels toont de vier naailijnen en de stand van elke vleugel.

Het gesloten roomwitte lijf met vier lila vleugels erop vastgespeld, twee glaskopspelden bij de aanzet van elke vleugel, het rechtopstaande paar boven het lage paar, een lila draad aan elke vleugel en een blauw stukje garen boven op de kop.
Illustratie 6Alle vier de vleugels vastgespeld. Elke vleugel vastgespeld voordat er één wordt vastgenaaid.
Voorvleugels Links Rechts
Rand, voorste eind R7 T+1 R7 T−1
Rand, midden R8 T+2 R8 T−2
Rand, achterste eind R9 T+3 R9 T−3
Achtervleugels Links Rechts
Rand, voorste eind R8 T+5 R8 T−5
Rand, midden R9 T+4 R9 T−4
Rand, achterste eind R10 T+3 R10 T−3
Close-up van de roomwitte kop en het lijf, met een lila voorvleugel die achter de kop omhoogsteekt en een achtervleugel die laag eronder ligt, en één bruine voelspriet aan de bovenrand.
Illustratie 7Een vleugelnaad. Waar de vleugels aan het lijf zitten: de voorvleugel rechtop achter de kop, de achtervleugel laag eronder.
  1. Leg de vlinder op zijn buik met het stukje garen boven. Zoek T op R6, de halstoer: dat is de steek recht achter het stukje garen, één toer verder. Op R7, R8, R9 en R10 is T telkens de steek die daarmee op één lijn ligt.
  2. Speld de linkervoorvleugel vast: het voorste eind van de rand op R7 T+1, het midden op R8 T+2 en het achterste eind op R9 T+3, zodat de rand langs een lijn ligt die naar achteren en omlaag langs de zijkant loopt. Kantel de vleugel omhoog tot hij bijna rechtop staat (ongeveer 80 graden ten opzichte van de tafel) en een beetje naar achteren en naar buiten leunt, en speld hem in die stand vast.
  3. Speld de rechtervoorvleugel op dezelfde manier vast op R7 T−1, R8 T−2 en R9 T−3.
  4. Speld de linkerachtervleugel vast: het voorste eind van de rand op R8 T+5, het midden op R9 T+4 en het achterste eind op R10 T+3, zodat de rand naar achteren toe langs de zijkant omhoog loopt, van de buik af. Laat hem laag en bijna plat naast het lijf liggen, op de tafel of er net boven, en speld hem zo vast. Speld de rechterachtervleugel op dezelfde manier vast op R8 T−5, R9 T−4 en R10 T−3.
  5. Kijk van voren: de voorvleugels staan rechtop in een steile V, onder elk ervan ligt laag een achtervleugel, en de twee kanten zijn gelijk. Kijk van boven: de achtervleugels liggen breed uitgespreid en het lijf is een smalle lijn ertussen — de rechtopstaande voorvleugels maken hem hier nauwelijks breder. Kijk ook van beide zijkanten. Verschuif de spelden tot alle drie de aanzichten kloppen.
  6. Naai elke rand rondom vast met een randnaad, met het eigen staartje van de vleugel, en werk elk staartje in het lijf weg. Naai eerst de achtervleugels vast, dan de voorvleugels.

De voorvleugels staan rechtop, bijna recht en een beetje naar achteren en naar buiten leunend, met de achtervleugels laag eronder, en elke vleugel heeft een oudroze punt. Hangt een vleugel lager dan zijn tegenhanger aan de andere kant, haal dan het voorste derde van zijn randnaad uit en naai dat stuk opnieuw, iets strakker; een rand die aan het voorste eind strak zit, tilt de punt op.

C. Voelsprieten (na de vleugels)

Elke voelspriet is een dun koordje dat je met zijn aanzet vastnaait: het eind waar je hebt afgehecht. De koordjes komen boven op de kop, aan elke kant één, naast het stukje garen en even hoog. Schema 2, Kopkaart toont beide plaatsen.

Linkervoelspriet Rechtervoelspriet
De aanzet ligt over de grens tussen R4 en R5, tussen T+1 en T+2 de grens tussen R4 en R5, tussen T−1 en T−2
  1. Het stukje garen markeert T op R5; T op R4 is de steek van R4 op de lijn van het midden van het gezicht naar het stukje garen. Tel 1 steek langs R4 naar de linkerkant van de vlinder en speld het linkerkoordje vast in de opening net voorbij die steek: de eerste 5 mm ligt plat op de kop, over de grens tussen R4 en R5, met het eind van de aanzet aan de kant van R5, en de rest van het koordje komt daar omhoog en leunt een beetje naar buiten.
  2. Speld de rechtervoelspriet op dezelfde manier vast aan de andere kant.
  3. Kijk van voren: beide koordjes staan even hoog, aan elke kant van de bovenkant van de kop één, ongeveer een vingerbreedte uit elkaar, en elk leunt een beetje naar buiten. Kijk van opzij: beide leunen evenveel. Verschuif de spelden tot dat zo is.
  4. Naai elke aanzet vast met zijn staartje: vier of vijf kleine steekjes langs het platte stuk, elk door het koordje en een ondiep draadje van de kopsteek eronder, zonder naar binnen door te steken, verdeeld over de steek van R4 en de steek van R5 erachter. Werk het staartje en een eventueel kort eindje bij het beginknoopje weg in de kop, en haal het stukje garen eruit.

Beide voelsprieten staan omhoog vanaf de kruin en leunen naar buiten. Zakt er een om, maak dan één klein steekje door het koordje, ongeveer 4 mm boven de aanzet, en steek in de kop aan de kant tegenover de kant waar hij naartoe valt.

Afwerking

Haal alle spelden eruit, druk de vlinder even met zijn buik op tafel zodat de onderkant plat wordt, en zet daarna elke voorvleugel met een vingertop weer in zijn stand. Niet spannen, stomen of stijven.

Je vlinder ligt op zijn buik, met de voorvleugels bijna rechtop en onder elk ervan laag een achtervleugel, een oudroze punt aan elke vleugel, ver uit elkaar staande ogen en twee dunne voelsprieten die daarboven naar buiten leunen. Rolt hij op zijn zij, druk de buik dan een paar seconden opnieuw plat; een voorvleugel die tegen het lijf ligt, heeft één steekje nodig van zijn rand naar het lijf eronder.

Verzorging: alleen plaatselijk reinigen en plat laten drogen, uit de buurt van warmte.

Wat er gecontroleerd wordt

geslaagd

Steekcontrole: het steekaantal van elke toer opnieuw berekend uit het steekregister

geslaagd

Plaatsingscontrole: elke plaatsing getoetst aan de toeren die erbij genoemd worden

geslaagd

Schemacontrole: elk schema getoetst aan hetzelfde register

1

afgemaakt exemplaar volgens het geschreven patroon

3

foto’s van afgemaakte exemplaren

Zo ontstaan de patronen